Karakteristiek van het lezen in groep 7 en 8

(Bron: SLO, Leerstoflijnen lezen beschreven, 2010)

Informatie over het inrichten van leesonderwijs:

– Taken (leesomgeving, functies, leestaken)

– Tekstkenmerken (onderwerp, tekststructuren en kenmerken verhalen/ gedichten, stijl, relatie woord-beeld)

– Kenmerken van de taakuitvoering (techniek en woordenschat, begrijpen en interpreteren, evalueren, studietechnieken, opzoeken)

 

 

 

3.4 Karakteristiek van het lezen in groep 7/8

3.4.1 Taken
Leesomgeving
Net als in groep 5/6 is het voor kinderen in groep 7/8 belangrijk dat er een plek is die ze
uitnodigt om zich terug te trekken met een boek, een plek die is aangekleed en afgebakend
zodat ze in alle rust ongestoord kunnen lezen. Boeken worden zo gepresenteerd dat ze bereikbaar
zijn voor de kinderen en uitnodigen tot lezen. Er hangen posters over boeken en lezen. Er liggen folders over boeken, in ieder geval de Kinderboekenmolen die elk jaar uitkomt in het kader van de Kinderboekenweek, en brochures en informatie van uitgeverijen en bibliotheek. En op een speciaal plekje wordt de schrijver, dichter, illustrator of het boek van de maand tentoongesteld.

Er is een ruim en gevarieerd aanbod aan boeken en teksten, dat ook met enige regelmaat
vernieuwd wordt: verhalen en gedichten en zakelijke teksten, bijvoorbeeld informatieve
boeken, kinderkookboeken, knutselboeken, boeken met proefjes en experimenten, naslag150
werken als atlassen en woordenboeken, kranten (o.a. Kidsweek, de Jeugdverkeerskrant),
reclamefolders, kindertijdschriften (bijvoorbeeld Kids for Animals, Tamtam, Boekieboekie,
Taptoe, Samsam, Flits, Waipiti, National Geographic Junior, NOS Jeugdjournaal magazine,
en popbladen, voetbaltijdschriften en lifestyletijdschriften), brochures, affiches en teksten
van kinderen zelf. Er zijn ook zakelijke teksten die in eerste instantie niet voor kinderen in
groep 7/8 geschreven zijn, maar die ze wel gebruiken bijvoorbeeld bij het werken aan een
thema. Ze hoeven dan niet alles uit de tekst precies te begrijpen, maar pikken datgene er uit
wat ze nodig hebben, bijvoorbeeld in een artikel in de krant of in een informatief fotoboek.
Ook kunnen kinderen die erg geïnteresseerd zijn in een bepaald onderwerp juist vanwege
hun voorkennis en interesse bladeren en lezen in informatieve boeken die voor ouderen
geschreven zijn. Verder zijn er verhalende (prenten)boeken, voorleesverhalen, lied- en dichtbundels met verschillende soorten gedichten, luisterboeken, verhalen en gedichten van
kinderen zelf en strips. Het gaat om recent verschenen boeken en om klassiekers, om kinderjuryboeken en om griffelboeken.

Naast boeken, teksten in het Nederlands, kunnen er ook boeken en teksten in andere talen
zijn. Het kan gaan om teksten in een regionale taal, in een vreemde taal als Duits, Engels of
Spaans, en om teksten in een allochtone taal zoals Turks.
Er zijn boeken, teksten, van schrijvers die de kinderen inmiddels kennen, boeken van favoriete
schrijvers, maar de leraar zorgt ook voor boeken van schrijvers die ze nog niet kennen.
In de computerhoek kunnen kinderen bijvoorbeeld digitale prentenboeken bekijken en zelfgemaakte teksten en ze kunnen snuffelen op websites. In de schrijfhoek kunnen ze teksten
van klasgenoten en voorbeeldteksten lezen en bekijken.
In de jaarlijks verschijnende Boek en Jeugd Gids 4 -12 jaar, op sites als http://www.boekenjeugd.nl,
http://www.leesplein.nl, http://www.jeugdbieb.nl en http://www.leesfeest.nl en in het materiaal van de Kinderboekenweek staan veel tips voor boeken, prentenboeken, dichtbundels en voorleesboeken.

Bij de openbare bibliotheek of bij de provinciale bibliotheekdienst kunnen thematische
boekenpakketten geleend worden.
Door allerlei activiteiten worden de kinderen met boeken en lezen in aanraking gebracht
en gestimuleerd om te lezen. Voorlezen blijft daarin een belangrijke rol spelen. Ze kunnen
voorgelezen worden door hun eigen leraar, een andere volwassene, bijvoorbeeld een voorleesoma
of –opa, maar ook door klasgenoten. Ze kunnen ook zelf verhalen voorlezen aan
kinderen uit andere groepen, bijvoorbeeld aan kleuters. De leraar kan kinderen nieuwsgierig
maken door een stukje van het verhaal voor te lezen en te stoppen op een spannend
moment. Ze kunnen dan zelf verder lezen.

Verder krijgen kinderen volop gelegenheid om vrij te lezen en om te grasduinen in allerlei
soorten boeken. Via de Stichting Schrijvers School Samenleving kan een schrijver of illustrator
uitgenodigd worden in de klas. Er is een boekenrubriek in de schoolkrant en/of op de
website van de school met voorleestips voor ouders, leestips voor leerlingen en informatie
over nieuwe boeken of over boeken die aansluiten bij het thema waar de kinderen mee
bezig zijn. Er kan een bezoek aan de plaatselijke bibliotheek gebracht worden en aan een
kinderboekenwinkel. Andere mogelijkheden zijn: meedoen met landelijke projecten zoals
de Kinderboekenweek, het Voorleesontbijt, de Kinderjury, Fringo, Leespiramide, de Nationale
Voorleeswedstrijd en projecten van de plaatselijke bibliotheek. Ook kunnen kinderen
met hulp van een volwassene een leesclub organiseren. De brochure Boekenbende bevat een
draaiboek daarvoor (Bontje & Broekhof, 2010).

Kinderen lezen ook tijdens taallessen en bij andere vakken. Als de leraar situaties creëert
waarin leerlingen taal functioneel gebruiken, kunnen deze op een betekenisvolle en natuurlijke
manier in aanraking komen met allerlei soorten zakelijke teksten, zoals informatieve
teksten en instructies in de zaakvakmethode, reclamefolders, kranten, kookboeken,
bouwtekeningen, en naslagwerken als woordenboeken en atlassen.
Het stimuleert kinderen enorm om te gaan lezen wanneer ze informatie uit de tekst echt
nodig hebben en daadwerkelijk gaan gebruiken, voor vervolgactiviteiten of studiedoeleinden.
Dit biedt ze tevens een manier om te reageren op wat ze gelezen hebben. Ze lezen
bijvoorbeeld over een bepaald onderwerp om een interview voor te bereiden, als voorbereiding
op een discussie, om een presentatie te houden, een werkstuk te maken, iets te koken,
te bouwen of een route te lopen met behulp van aanwijzingen.
Activiteiten waardoor kinderen kunnen reageren op verhalen en gedichten zijn: erover praten
en ervaringen uitwisselen, erover schrijven, tekenen, anders beeldend werken, of drama.

Functies
In groep 5/6 zijn kinderen zich steeds bewuster geworden van de verschillende communicatieve
functies; ze hebben ze leren onderscheiden en benoemen. In groep 7/8 gaat dat
bewustwordingsproces verder en ze leren hun verworven inzichten te gebruiken bij het
reflecteren op teksten en bij het reflecteren op hun eigen leesproces. Je kunt lezen om je te
informeren, om geïnstrueerd te worden, om je op de hoogte te stellen van een mening en
om een eigen mening te vormen of je mening te vergelijken met die van anderen, om er
eventueel vervolgens over te schrijven of te discussiëren met anderen.
Ook het bewustwordingsproces dat je door te lezen greep kunt krijgen op je eigen gedachten
en op de wereld om je heen, gaat in groep 7/8 verder. En ook dit inzicht leren kinderen te
gebruiken bij het reflecteren op hun lezen.

Net als in de voorgaande groepen krijgen de kinderen een keur aan verhalen en gedichten
aangeboden. Ze ervaren de verschillende functies van het lezen van fictie, en door verhalen
en gedichten vanuit verschillende functies te benaderen worden ze zich net als in groep 5/6
steeds bewuster van deze functies. Ze leren dit inzicht ook te gebruiken bij het kiezen van
een verhaal of gedicht en bij het reflecteren op het lezen ervan. Je kunt je door voorlezen
en lezen ontspannen, je kunt genieten van een verhaal of gedicht, het kan je fantasie prikkelen,
en het kan ook helpen om iets te verwerken, om je emoties een plek te geven. Een
verhaal of gedicht kan ook aanleiding zijn om na te denken over wat kinderen goed of niet
goed vinden. Het kan dan een bijdrage leveren aan het ontwikkelen van een eigen normen- en
waardenpatroon. Ze leren dat je fictie ook kunt lezen om iets te leren, bijvoorbeeld bij het
lezen van een historische jeugdroman.

Leestaken
Kinderen voeren diverse leestaken uit:
• Ze lezen informatieve teksten, bijvoorbeeld delen uit de reeks Informatie Junior, informatieve
boeken, ze gebruiken naslagwerken zoals woordenboeken (ook in andere talen),
een kinderencyclopedie of een atlas, ze zoeken een telefoonnummer op in een telefoonboek,
ze zoeken informatie op in een tv-gids, ze lezen informatieve teksten in de zaakvakmethode,
in een krant of in kindertijdschriften, of op internet, ze lezen formulieren.
• Ze lezen instructies, bijvoorbeeld een recept, een bouwtekening, spelregels, opdrachten
in een lesboek of op het bord, aanwijzingen op internet, een routebeschrijving, gebruiksaanwijzingen, handleidingen, een bijsluiter bij medicijnen (die voor een deel ook
informatief van aard zijn).
• Ze lezen betogende teksten, bijvoorbeeld reclamefolders, ingezonden brieven in een
kindertijdschrift, een oproep, een leus op een spandoek, recensies en advertenties, een
pamflet en een verzoekschrift (naast informelere zenders kan er ook sprake zijn van
formelere zenders).
• Ze lezen of luisteren naar verhalen, bijvoorbeeld hier-en-nuverhalen, sprookjes, dierenverhalen,
realistische verhalen en fantasieverhalen, eenvoudige historische verhalen,
griezelverhalen, volkssprookjes, cultuursprookjes en realistische verhalen, detectiveverhalen,
verhalen over andere culturen, stripboeken en comics, sprookjes uit andere
culturen, korte verhalen, prentenboeken met een dubbele bodem, avonturenverhalen,
sciencefiction, oorlogsverhalen, actuele sprookjesbewerkingen, fantastische vertellingen,
klassieke verhalen, historische verhalen en jeugdromans.
• Ze lezen of luisteren naar gedichten: verhalend-beschrijvende, ludieke en speelse
gedichten, feestliederen, versjes en liedjes, rijmen of raps die ze zelf kunnen opzeggen of
zingen, dansliedjes, kringliedjes, aftelversjes, springliedjes, sinterklaasversjes, raadselrijmen
en spotversjes. Ook is er aandacht voor lof-, feest- en klaagliederen, hekelende en satirische
gedichten, gevoels- en liefdeslyriek. Het gaat zowel om vormvaste als vormvrije
gedichten. Vormvaste gedichten hebben een vast rijmschema en een vaste opbouw.
Vormvrije gedichten rijmen niet of er wordt gespeeld met rijmschema’s, opbouw of de
uiterlijke vorm.

3.4.2 Tekstkenmerken
Onderwerp
De onderwerpen in de zakelijke teksten zijn niet altijd contextgebonden; ze gaan ook over
een minder nabije omgeving en kunnen zich afspelen in een toekomst of verleden verder
weg. Ook abstracte onderwerpen komen voor, bijvoorbeeld bij de zaakvakken.
Net als in groep 5/6 kunnen de verhalen over allerlei onderwerpen gaan, als ze maar op het
niveau van de kinderen zijn uitgewerkt, bijvoorbeeld over gevoelens, dagelijkse gebeurtenissen,
leven en dood, vriendschap, verliefdheid, dieren, eigenwijs zijn. De verhalen kunnen
ook gaan over dromen, wensen, fantasie en werkelijkheid, over problemen van goed en
kwaad, over de natuur. Ook komen (morele) problemen in verhalen voor, die voortkomen
uit alledaagse situaties (bijvoorbeeld discriminatie, pesten, omgaan met een handicap). Het
thema oorlog wordt populair. De voorkeuren van jongens en meisjes groeien uit elkaar.

Onderwerpen
In verhalen of gedichten voor kinderen in groep 7/8 kunnen ook buiten de eigen
wereld spelen (in het verleden, een andere cultuur of een verzonnen wereld); de situaties
moeten dan wel herkenbaar zijn of emotioneel aanspreken.
Veel voorkomende inhouden van gedichten zijn: de kinderwereld van elke dag, de wereld
op zijn kop en soms rechtop, dromen, wensen en vragen, dieren, natuur (Van Coillie, 1980).
Bij lessen begrijpend lezen geven kinderen vaak aan dat ze de teksten saai vinden, wat nog
versterkt kan worden doordat ze vaak klassikaal gelezen worden en ze er vooraf en achteraf
allerlei vragen over moeten beantwoorden, vaak los van een doel dat kinderen met het lezen
van die tekst kunnen hebben. Een toenemend aantal scholen werkt inmiddels naast of
in plaats van de methode met actuele teksten (bijvoorbeeld Kidsweek of Nieuwsbegrip). Veel
kinderen vinden die actuele teksten al een stuk leuker om te lezen dan de willekeurige teksten
uit de leesmethode. Belangrijk is dat kinderen kunnen lezen over onderwerpen waarbij
ze betrokken zijn. Ze kunnen ook zelf teksten aandragen.

Structuur en kenmerken van verhalen en gedichten
De zakelijke teksten hebben net als in de voorgaande groepen een herkenbare structuur,
bijvoorbeeld chronologisch, opsommend, een beschrijving met kenmerken, een probleem
met een oplossing of een mening met een argumentatie. Verbanden worden herkenbaar
gemaakt door signaalwoorden; daarnaast is er sprake van verbanden die moeten worden
afgeleid. Als er verwijzingen gebruikt worden, staan ze meestal dicht bij hun referent, het
woord waarnaar verwezen wordt, maar ze kunnen ook verder weg staan. De verwijswoorden
kunnen ook naar abstractere, algemenere zaken verwijzen en soms is het even puzzelen
om erachter te komen waarnaar ze precies verwijzen. De teksten bestaan voornamelijk
uit frequente, alledaagse woorden en bevatten daarnaast ook abstracter en formeler taalgebruik,
schooltaalwoorden en vaktaalwoorden, langere woorden en leenwoorden, en beeldspraak.
Er komen zowel enkelvoudige als samengestelde zinnen voor. De samengestelde zinnen kunnen bijzinnen en tangconstructies bevatten. Er zijn zowel korte als lange teksten voor de leerlingen beschikbaar. De teksten in bijvoorbeeld Kidsweek zijn vrij kort. Wanneer kinderen vooral die teksten zouden lezen, komen ze weinig in aanraking met langere teksten en krijgen ze onvoldoende gelegenheid om te leren hoe ze greep krijgen op lange teksten;
iets wat in het voortgezet onderwijs wel van hen verwacht wordt.

In groep 7/8 worden de boeken dikker; er zijn boeken met een grotere spanningsboog en
met meer avontuur. Net als in groep 5/6 beginnen verhalen meestal bij het begin van de
handeling, en soms middenin of na de gebeurtenis. Er is meestal een gesloten einde, maar
open eindes kunnen ook voorkomen. Het verhaal verloopt meestal lineair met één of soms
enkele verhaallijnen (bijvoorbeeld bij een raamvertelling). Er kunnen vooruitwijzingen en
flasbacks voorkomen. Meestal wordt het chronologisch verteld, soms met pauzes, sprongen
in de tijd of onderbroken door gedachten of beschrijvingen. Binnen een verhaal kunnen
andere tekstsoorten voorkomen. Naast de auctoriale vertelsituatie komen ook de personale
en de ik-vertelsituatie voor, en ook kan er sprake zijn van wisselende en meervoudige vertelperspectieven.
Het verhaal kan in meerdere ruimtes spelen, ook buiten de eigen wereld,
bijvoorbeeld in het verleden, in een andere cultuur of in een verzonnen wereld. In dat geval
moeten de situaties wel herkenbaar zijn of kinderen emotioneel aanspreken. De ruimtes
waar het verhaal speelt, worden expliciet beschreven, maar kunnen ook indirecter een rol
spelen. Dan moet de lezer aanwijzingen uit de tekst gebruiken om de ruimte voor zichzelf te
construeren. De humor in verhalen en gedichten bouwt voort op verhalen en gedichten die
voor groep 5/6 beschreven zijn. Humor komt ook voor in combinatie met spanning.Naast
metrische gedichten komen er ook minder metrische gedichten voor. Geleidelijk wordt de
ritmiek belangrijker dan de metriek. Er zijn gedichten met en zonder eindrijm.

Stijl
De (zakelijke) teksten hebben meestal duidelijke titels en kopjes, en een heldere alinea-indeling.
Om bepaalde woorden of zinnen extra te laten opvallen, wordt er gebruik gemaakt
van het markeren van woorden/zinnen of tekstdelen door ze vet te maken, te onderstrepen
en te cursiveren. Zo worden inleidende alinea’s bijvoorbeeld vetgedrukt of gecursiveerd.
Door letters groter te maken kan de uiterlijke structuur ook nadrukkelijker gemarkeerd
worden. Een titel bijvoorbeeld wordt vaak in een groter lettertype weergegeven. Er kunnen
ook stukjes tekst in kaders geplaatst worden. Vaak gaat het dan om een voorbeeld of een
toelichting. Ook door kleurgebruik kunnen woorden en zinnen extra nadruk krijgen. Verder
kan er informatie worden weergegeven in een schema, tabel of grafieken.
In boeken wordt de uiterlijke structuur ook gemarkeerd door gebruik van een inhoudsopgave
en paginanummers, en eventueel een trefwoordenlijst, register en literatuuropgave/lijst
met bronvermeldingen. Zo bevat de verzamelbundel Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles
gekleurd is voorin een inhoudsopgave en achterin een Wie is wie, een korte beschrijving
van de dichter en verwijzingen naar de opgenomen gedichten, een bronvermelding en een
register met trefwoorden en titels van de gedichten. Er zijn dus allerlei ingangen om een
gedicht te kiezen of te vinden.
In de tekst worden signaalwoorden en signaaltekens gebruikt die tekststructuren herkenbaar
maken. Een dubbele punt en een serie aandachtsstreepjes onder elkaar duiden op een
opsomming bijvoorbeeld.
De informatiedichtheid is overwegend laag. Er staan voorbeelden in de tekst en informatie
wordt herhaald in andere woorden. Vergeleken met groep 5/6 zijn de teksten soms compacter.
Het woordgebruik is concreet. Er worden meestal frequente, alledaagse woorden gebruikt,
maar daarnaast kan het taalgebruik ook abstract, algemeen en formeel zijn, met schooltaalwoorden, vaktaalwoorden en leenwoorden. De teksten bevatten zowel enkelvoudige als
samengestelde zinnen. Die samengestelde zinnen kunnen nevenschikkend zijn, maar ook
onderschikkend; ze kunnen bijzinnen en tangconstructies bevatten. Korte zinnen hoeven
vanwege hun compactheid niet per definitie makkelijker te zijn. Juist in teksten met veel
korte zinnen zijn de verbanden tussen die zinnen vaak erg impliciet; leerlingen moeten zelf
veel invullen en afleiden.

In gedichten sluit het woordgebruik aan bij de behandelde onderwerpen, bijvoorbeeld behandelde
(morele) problemen. Beeldspraak in de gedichten komt regelmatig voor, waarbij
beeld en object wat minder direct bij elkaar betrokken kunnen zijn. In het gedicht van Toon
Tellegen zijn het object ‘boosheid’ en het beeld ‘stof’ direct op elkaar betrokken. In het gedicht
van Remco Ekkers is dat minder duidelijk het geval.

Opzegversje
Boosheid is een stof.
Is een stof, is een stof.
Boosheid is een stof, is een stof, is een millimeter
stof,
is een vingerhoedje stof,
is een kruimeltje, een krabbeltje, een krekeltje
van stof,
is een stof, is een stof,
is een krasje, is een stof, is een sprankje, is een stof,
is een kreukelige kronkelige kriebelige stof,
is een stof, is een stof.
Boosheid is een stof, is een stof,
is een stofje
en is weg.
Toon Tellegen

Eerste woord
Mijn eerste woord was r aa m.
Het hing in de eerste klas
vlak onder het raam.
Later zag ik ook d eu r.
Je kon naar buiten
dan waren de woorden weg
maar hun beeld zweefde
nog in mijn hoofd.
Ik leerde dat letters
van het woord vrij
konden fladderen
maar deze bleven samen.
Tot ik een naam
gaf aan bijna alle
dingen in de klas.
Het raam ging open staan.
Remco Ekkers

Tine van Buul en Bianca Stigter (1990). Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles
gekleurd is. Amsterdam: Querido

Relatie woord – beeld
In veel teksten in groep 7/8 heeft de tekst een prominente plaats. In verhalende boeken
begint de hoeveelheid illustraties af te nemen. In de zakelijke teksten blijven illustraties een
belangrijke rol spelen, bijvoorbeeld in de zaakvakmethodes of in informatieve boeken. Er
wordt ook veel gebruik gemaakt van foto’s. De eisen die aan tekst en beeld gesteld worden
zijn hetzelfde als in de voorgaande groepen: illustraties in zakelijke teksten moeten actueel,
relevant en correct zijn en illustraties en tekst moeten goed op elkaar afgestemd zijn. In
schoolboeken is het van belang dat de illustraties hetzelfde niveau hebben als de tekst en
dat de illustraties niet moeilijker te begrijpen zijn dan de tekst of andersom. In zakelijke teksten
zoals reclamefolders, affiches of woordenboeken is de lay-out (denk aan de bladspiegel,
het gebruik van kleur, lettergroottes en lettervormen, gebruik van afbeeldingen) bepalend
voor de tekstsoort.
Over het geheel genomen kunnen illustraties net als in de vorige groepen verschillende
functies hebben: ze kunnen de aandacht van de lezer wekken en vasthouden, ze kunnen de
tekst concretiseren, ze kunnen bijdragen aan ordening van informatie in de tekst en deze
informatie coherenter maken. Bovendien kunnen illustraties lastige passages en abstracte
concepten verhelderen en het geheugen ontlasten.

In verhalende prentenboeken kunnen illustraties een andere rol hebben. Prentenboeken
voor kinderen in groep 7/8 hebben vaak een dubbele bodem en de prenten maken vaak deel
uit van die dubbele bodem. De prenten kunnen realistisch, expressionistisch, impressionistisch,
abstract of surrealistisch zijn.

In strips vertellen tekst en beeld samen het verhaal; ze versterken elkaar. Ook in strips
geven tekeningen informatie die woorden niet geven. Dat kan nog eens versterkt worden
door bijvoorbeeld de grootte en de vorm van de letters, door kleurgebruik, symbolen en
pictogrammen en het ‘camerastandpunt’. Kinderen leren dat het nauwgezet kijken vraagt
om alle facetten van een strip te leren zien.

3.4.3 Kenmerken van de taakuitvoering
Techniek en woordenschat
In groep 7/8 hebben leerlingen over het algemeen een vlotte en accurate woordherkenning
verworven. Er is alleen nog aandacht voor als het nodig is. In de hogere groepen is er sprake
van steeds minder verband tussen de technische leesvaardigheid en de vaardigheid in begrijpend
lezen. Als er hardop gelezen wordt in de klas, dan is dat door de kinderen voorbereid,
bijvoorbeeld om mee te doe aan de Nationale Voorleeswedstrijd. Ze weten wat ze gaan
voorlezen en kunnen hun stemgebruik, intonatie en tempo daar op aanpassen.
Net als in de vorige groepen wordt de woordenschat van leerlingen uitgebreid met alledaagse
taal en schooltaal door een rijke leeromgeving. Leerlingen ontwikkelen een woordenschat
door teksten te lezen en door erover te denken en te praten. Leerlingen leren net
als in groep 5/6 woordbetekenissen af te leiden uit de context of uit een (bekend) woorddeel
en ze leren naslagwerken gebruiken om betekenissen op te zoeken.
Ze leren ook over betekenissen te onderhandelen. Van den Branden (1996) pleit voor een
leerlinggerichte vorm van betekenisonderhandeling. Dat houdt in dat niet de leraar bepaalt
wat bijvoorbeeld een moeilijk woord is en net zo lang doorvraagt tot hij het antwoord hoort
dat hij wilde horen. Het betekent dat leerlingen zelf en het liefst spontaan een begripsprobleem
signaleren, en proberen voor hen complexe en moeilijke taaluitingen te verwoorden.
Leerlingen worden vervolgens ook nauw en actief betrokken bij de oplossing van hun begripsproblemen.
Het gaat in feite niet om geïsoleerde aandacht voor woordenschat, maar
om tekstbegrip, in relatie tot het leesdoel.
Verder leren ze steeds beter letterlijk en figuurlijk taalgebruik doorzien.

Begrijpen, interpreteren
Eigen voorkennis koppelen aan de inhoud van de tekst is iets wat leerlingen in groep 7/8
steeds meer automatisch, uit zichzelf leren doen. Het gaat om kennis van het onderwerp
en (bij verhalen en gedichten) ook om eigen gevoelens, ideeën, angsten, dromen, wensen,
verlangens, normen en waarden. Met deze kennis, gebaseerd op hun ervaringen, hebben
kinderen een soort kader waaraan ze de informatie uit de tekst kunnen koppelen. Sommige
informatie zal bekend zijn, andere zal nieuw zijn. Daarvan leren leerlingen zich steeds
meer bewust worden: informatie in een tekst kun je koppelen aan wat je al weet of vindt en
daarmee kun je je eigen kennis uitbreiden of je mening vormen, bijstellen of aanscherpen.
Gebeurtenissen uit verhalen, gedachten in gedichten kun je koppelen aan je eigen ervaringen
en gedachten.
Daarnaast breiden leerlingen, net als in de vorige groepen, hun kennis over zakelijke teksten
en fictie uit en leren ze die kennis benutten bij het lezen van teksten. Het gaat vooral om het
uitbreiden en verfijnen van kun kennis over tekststructuren en die gebruiken bij het lezen.
In groep 5/6 hebben ze geleerd wat het verschil is tussen een feit en een mening. In groep
7/8 leren ze argumenten bij een mening herkennen.
Wat hun kennis over fictie betreft, leren ze verschillende genres steeds beter typeren. Bij
schrijvers, dichters en illustratoren die ze kennen, leren ze kenmerkende aspecten van hun
werk te benoemen. Bij het lezen van hun werk fungeert dit dan als een soort kader; het
helpt bij het interpreteren van de inhoud. Kinderen leren ook verschillende vertelperspectieven
te onderscheiden; niet als doel op zich, maar als hulpmiddel om de tekst te begrijpen
en om met anderen over de tekst te praten. Ook kan er aandacht voor (eenvoudige) symboliek
zijn.
Voortbouwend op groep 5/6 breiden de leerlingen hun taalkennis uit en deze zetten ze min
of meer onbewust in bij het lezen. En ze leren nieuwe begrippen om over teksten en lezen te
praten, bijvoorbeeld ‘argument’, ‘ik-verteller’, ‘hij-verteller’, en begrippen om verschillende
verhaalgenres te typeren.
Ook voortbouwend op wat ze in groep 5/6 geleerd hebben, leren ze zich in groep 7/8 bewust
te zijn van leesstrategieën die je kunt inzetten bij het lezen. Ze leren ook steeds beter te
reflecteren op hun strategiegebruik. Het gaat om zich te oriënteren op inhoud en vorm van
de tekst, op het leesdoel en op eigen voorkennis (kennis over de tekst en kennis over taal/
teksten), om de manier van lezen af te stemmen op het leesdoel, en om na te gaan of het
leesdoel bereikt wordt. Zo nodig stellen ze de aanpak bij. Ze beoordelen het resultaat van
lezen in het licht van het leesdoel, ze stellen eventueel het taakresultaat bij en leren ervan
voor een volgende keer. Bij het toepassen wordt een beroep gedaan op:
• Representeren (bijvoorbeeld: Wat is de leestaak precies?).
• Plannen (Wat is mijn leesdoel? Hoe ga ik lezen?).
• Oriënteren (onder andere: Wat weet ik al? Wat wil ik weten? Wat voor tekst is het? Waar
gaat het over?).
• Monitoren (bijvoorbeeld: Wat was de strekking van de alinea die ik nu gelezen heb? Ik
begrijp het niet meer dus ik herlees een gedeelte. Of: dit woord begrijp ik niet en het is
wel van belang het te begrijpen om mijn leesdoel te bereiken; ik probeer achter de
betekenis te komen).
• Evalueren en reflecteren (onder andere: Is de manier waarop ik lees handig nu? Bereik ik
zo mijn leesdoel? Is deze tekst geschikt? Begrijp ik nog wat ik lees? (Zie ook monitoren.)
Gaat het zo als ik dacht, met andere woorden: komen mijn voorspellingen, mijn verwachtingen
uit? Wat vind ik van deze tekst?).

In de eerste jaren had de leraar bij het leren gebruiken van leesstrategieën een sterk sturende
rol, in groep 7/8 is die rol vooral stimulerend en ondersteunend.
De leerlingen leren de leesstrategieën en hun kennis over teksten en taal ook steeds beter in
te zetten bij andere vakken.
Met behulp van hun kennis en strategieën ontwikkelen ze tekstbegrip op macro-, meso- en
microniveau:
• Op macroniveau leren ze het communicatieve doel van zakelijke teksten herkennen, ze
leren functies van verschillende teksten herkennen, het thema van de tekst(en) te
bepalen en de strekking. Ze leren achter de bedoeling van de schrijver (illustrator) te
komen, en de globale lijn en opbouw herkennen. Ze leren tekstsoorten en verschillende
genres verhalen en gedichten te onderscheiden en teksten te vergelijken.
• Op mesoniveau leren ze verbanden te leggen tussen prenten, tussen illustraties en tekst,
tussen titel/kopjes en inhoud van de tekst, tussen tekstdelen, tussen verwijzingen en
referenten en tussen vorm en inhoud in gedichten. Ze leren inferenties te maken.
• Op microniveau leren ze specifieke informatie herkennen (personen, dieren, objecten,
gebeurtenissen, plaats, tijd). Het gaat om het begrijpen van woorden en zinnen.

Evalueren
Het evalueren van teksten is vergelijkbaar met groep 5/6:
• De leerlingen leren naast de inhoud ook de organisatie van de tekst kritisch te beschouwen.
Daarbij leren ze hun kennis over zakelijke teksten, verhalen en gedichten te gebruiken.
• Ze leren hun oordeel te onderbouwen, bijvoorbeeld met voorbeelden uit de tekst.
• Ze leren praten over verschillen tussen de eigen wereld en die van het boek.
• Ze worden zich steeds bewuster van eventuele voorkeuren voor bepaalde onderwerpen,
genres of schrijvers en ze leren deze voorkeur verwoorden en motiveren.
In groep 7/8 is er ook aandacht voor het vergelijken van teksten en daarover een oordeel
geven.
Net als in de voorgaande groepen werkt het goed om in te zoomen op onderdelen van de
tekst die leerlingen geraakt hebben, waarover ze zich verwonderd hebben of die ze niet
begrepen hebben (Van Norden, 2004).

Studietechnieken
Leerlingen oefenen in groep 7/8 verder met herlezen, onderstrepen en aantekeningen maken.
Ze doen dat altijd in relatie tot een studiedoel, dus niet als doel op zich.
Het leren samenvatten vindt in groep 7/8 ook plaats in de context van andere vakken, naast
die van schrijven en studerend lezen. De functie van het samenvatten is vooral tekstrelevant:
de samenvatting volgt de tekst. Geleidelijk oefenen de leerlingen ook met samenvattingen
die publieksrelevant zijn: een samenvatting voor anderen die de oorspronkelijke
tekst niet gelezen hebben. Ze worden zich ook bewust van deze verschillende functies. Leerlingen
leren de strategieën weglaten (uitfilteren en kiezen), verzamelen (generaliseren en
integreren) en afleiden (selecteren en construeren) toepassen.
Wat het schematiseren betreft oefenen ze verder met het woordweb, de tijdbalk, het Venndiagram
(voor overeenkomsten en verschillen) en het pijldiagram (voor oorzaak-gevolgrelaties).
Daarnaast leren ze tabellen, staaf- en cirkeldiagrammen te maken.
Ze leren deze schema’s te gebruiken bij het maken van een samenvatting.

Opzoeken
De activiteiten in groep 7/8 bouwen voort op groep 5/6: leerlingen breiden hun kennis (wat
is waar te vinden) en hun vaardigheden (je weg vinden in aanbod en bronnen) uit.
Ze bezoeken zelfstandig de bibliotheek en de schoolmediatheek. Ze leren hoe webpagina’s
in elkaar zitten (functie en opbouw) met zoekvensters, menu’s en hyperlinks.
Ze leren wegwijs worden in bronnen via de computer en leren daarbij zoekmachines te
gebruiken. Ook leren ze wat betrouwbare en minder betrouwbare websites zijn.
In teksten kunnen kinderen schematisch weergegeven informatie lezen, bijvoorbeeld informatie
die in tabellen staat, en ze kunnen aangeven wat deze informatie te maken heeft met
de tekst.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s